Communistische partijen zetten druk op Spaanse regering
Waarom Sánchez linkser beleid voert dan hij eigenlijk wil
)
© Reuters / Haruna Furuhashi
)
© Reuters / Haruna Furuhashi
Sven Tuytens
04 juni 2026 • 14 min leestijd
Waarom doet de Spaanse premier Pedro Sánchez het vaak anders dan de traditionele sociaaldemocraten in Europa en dan zijn voorgangers? Veel heeft te maken met zijn coalitiepartners, maar nog meer met de diepe sporen die de recente geschiedenis heeft nagelaten.
Dissident Spanje?
Spanje wordt vaak gezien als een afwijkende stem binnen Europa. Het land van premier Pedro Sánchez voert een milder migratiebeleid en spreekt zich regelmatig uit over mensenrechten, vrede en internationaal recht. Tegelijk bevindt Spanje zich intern in een evenwichtsoefening: de opmars van extreemrechts, regionale spanningen en de druk van Europese afspraken. In dit dossier onderzoekt MO* of de Spaanse koers echt zo sterk afwijkt van die van de rest van Europa.
Het recente verleden, met de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en de daaropvolgende dictatuur, doet de Spanjaarden nog altijd pijn. Het vertaalt zich in een duidelijke scheidingslijn tussen links en rechts. Spanjaarden zijn erfgenamen van óf verliezers, óf winnaars van de Burgeroorlog. Het verleden is nog lang niet verwerkt, en beide kampen uiten geen of weinig zelfkritiek.
Toen generaal Franco in 1975 stierf, na 36 jaar aan de macht, was de Spaanse Communistische Partij (PCE) de sterkste tegenstander van de dictatuur. De partij was stevig ingeplant onder studenten en in de arbeidersklasse.
PCE-leider Santiago Carrillo speelde het in 1974 ook strategisch zeer slim: hij richtte mee de Junta Democrática de España op, een breed platform tegen Franco dat niet alleen bestond uit de communistische partij en vakbond Comisiones Obreras maar ook – onder meer – monarchisten, enkele liberalen, wat figuren uit Opus Dei-kringen, een maoïstische partij (de PTE, de Partij Van De Arbeid van Spanje) en de socialistische partij (de PSOE of Partido Socialista Obrero Español).
De kans was dus groot dat de PCE als grote winnaar uit de stembusslag zou komen bij de eerste democratische verkiezingen sinds meer dan veertig jaar.
Maar zover mocht het niet komen. Dat communisten in Spanje de plak zouden zwaaien, zorgde voor diepe onrust in Washington en bij de Europese sociaaldemocratische partijen. Met de steun van de hevig anticommunistische Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) wird de PSOE klaargestoomd als alternatief voor de toen veel populairdere PCE, die gemarginaliseerd moest worden. Een nagenoeg onbekende Andalusiër, Felipe González, zou de eerste socialistische premier van de nieuwe Spaanse democratie worden.
De overgang van de Francodictatuur naar democratie zou geen volledige breuk met het dictatoriaal verleden zijn, maar wel de weg volgen van het reformismo. Dat betekende dat koning Juan Carlos, aangeduid door dictator Franco als zijn opvolger en trouw aan de wetten van de overleden dictator, gewoon mocht blijven. Washington was daarmee gerustgesteld: de strategische en economische belangen van de VS waren veiliggesteld.
Het is de linkse coalitie van Izquierda Unida – en later Podemos – nooit meer gelukt om de PSOE voorbij te steken. Tot vandaag leeft bij heel wat linkse kiezers nog steeds de hoop op een revanche voor de gemiste kans bij de overgang naar democratie.
Het einde van ‘PPSOE’
Met premier González ging in Spanje een tweepartijenstelsel van start: de PSOE en de conservatief-rechtse Partido Popular (PP) regeerden afwisselend. Het systeem werkte corruptie en favoritisme in de hand, maar kabbelde rustig voort. Tot sociale protesten in mei 2011 de hele politieke wereld dooreenschudden.
Het tweepartijenstelsel was een van de mikpunten van die 15M-protesten, die op 15 mei begonnen aan de Puerta del Sol in Madrid. De beweging, die eerst door de media en vakbonden zwaar werd onderschat, breidde zich razendsnel uit over heel Spanje. De drijvende kracht erachter was een jonge generatie die de transitie van dictatuur naar democratie in vraag stelde en niets anders gekend had dan wat ze het ‘PPSOE’-regime noemde – naar een samenvoeging van de twee partijnamen.
Een deel van de beweging, die door de media indignados (verontwaardigden) werd genoemd, koos in de lente van 2014 de weg van nieuwe politieke partijvorming, met de bedoeling komaf te maken met het tweepartijenstelsel. Hieruit werd Podemos (“We kunnen”) geboren. Bij haar eerste deelname aan verkiezingen, op 20 december 2015, overtuigde Podemos meer dan vijf miljoen kiezers.
Zo werd ze uit het niets de derde partij van het land. Opvallend daarbij was de massale, actieve deelname en prominente rol van jonge vrouwen. Nog voor hij een massafenomeen werd, zei de leider van Podemos, Pablo Iglesias, in een debat van het tv-programma La Tuerka: ‘Communisten hebben de plicht om te winnen. Een communist die verliest, is een slechte communist. (…) Om het met een metafoor te zeggen: links moet leren zich te kleden in het pak van de overwinning.’ Dat ‘communisten moeten winnen’, kwam van Lenin. Volgens Iglesias mochten ze niet eeuwig op de oppositiebanken blijven zitten.
Het recente verleden van Spanje vertaalt zich in een duidelijke scheidingslijn tussen links en rechts.
In juni 2016 verbeterde Podemos haar resultaat van 2015 nog. En in januari 2020 stapte ze voor het eerst in een regering, de eerste coalitieregering zelfs sinds het einde van de dictatuur. Het was een links kabinet, met naast de PSOE de alliantie Unidas Podemos (UP, ‘Samen Kunnen We’). Die laatste verzamelde naast de kernpartij, Podemos, tal van andere nationale en regionale linkse krachten. Pedro Sánchez, premier sinds 2018, had eerst helemaal geen zin om met UP in een regering te stappen. Maar als hij aan wilde blijven, zat er niets anders op dan samen met communisten te regeren.
Pablo Iglesias, die van zijn veertiende tot zijn twintigste lid was van de Communistische Jeugd (UJCE), werd vicepremier. Yolanda Diáz, die haar eerste stappen in de politiek bij de Spaanse Communistische Partij (PCE) zette, werd minister van Arbeid. Alberto Garzón, PCE-militant en later leider van de linkse coalitie Izquierda Unida, kreeg Consumentenzaken. En Irene Montero, als vijftienjarige lid van de UJCE, werd minister van Gelijkheid.

Pedro Sánchez en Unidas Podemos-leider Pablo Iglesias schudden elkaar de hand tijdens de presentatie van hun coalitieakkoord in het Spaanse parlement in Madrid op 30 december 2019.
© Reuters / Susana Vera
Tegen oorlog
In A People Betrayed is de scherpzinnige Britse hispanist Paul Preston van mening dat Spanjaarden herhaaldelijk verraden werden door hun eigen corrupte en onbekwame leiders. Oud-premier Felipe González had stellig verzekerd dat Spanje nooit zou toetreden tot de NAVO, maar tekende in 1982 toch voor de Spaanse toetreding, zonder rekening te houden met de antimilitaristische houding van veel Spanjaarden. Die heeft te maken met de Burgeroorlog, waarbij een half miljoen doden vielen en evenveel Spanjaarden het land moesten ontvluchten.
Toen de VS in 2003 een coalitie leidden die Irak binnenviel, kwamen Spanjaarden wekenlang massaal op straat tegen de inval. Toenmalig premier José Maria Aznar van de PP negeerde zelfingenomen de vredeskreet en stortte zich mee in een militair avontuur. Dat duurde tot 2011 en maakte, naargelang de bron, tussen de 151.000 tot 1.033.000 dodelijke slachtoffers (cijfers: Iraq Family Health Survey 2008 en Opinion Research Business Survey 2007).
Maar in juni 2025 zorgde een uitspraak tegen een NAVO-ontwerp voor een van de eerste botsingen tussen premier Sánchez en Donald Trump. Spanje wees het ontwerp af, dat alle bondgenoten opriep om de doelstelling te halen van vijf procent van het bruto binnenlands product aan militaire uitgaven. ‘Dat zou niet alleen onredelijk zijn, maar ook contraproductief’, betoogde Sánchez tegenover de secretaris-generaal van de NAVO, Mark Rutte.
Begin maart 2026 zette Sánchez opnieuw de hakken in het zand toen hij de VS toestemming weigerde om de gezamenlijke militaire bases in Rota en Morón te gebruiken voor aanvallen op Iran.
De standvastigheid van Sánchez vond weerklank bij een groot deel van de progressieve Spaanse samenleving, die meer trots van haar leiders wenste om het hoofd te bieden aan de steeds strijdlustigere houding van de VS. Pedro Sánchez gebruikt zo op een handige manier de internationale agenda om zijn interne achterban te mobiliseren. Tegelijk leidt hij de conservatieve oppositie, die het medialandschap controleert, af.
Sánchez is ook de bemiddelaar geworden tussen Europa en China. In april verklaarde Chinees president Xi Jinping tijdens een staatsbezoek van Sánchez nog dat Spanje ‘aan de juiste kant van de geschiedenis staat’. Internationaal is Sánchez er bovendien in geslaagd een nieuwe progressieve constellatie te vormen met Latijns-Amerika. Hij heeft daarbij de handelsrelaties van de EU gediversifieerd naar andere regionale handelsblokken dan de VS én heeft zich opengesteld voor internationale samenwerking gebaseerd op mensenrechten.
Palestina en Israël
Tegenover de genocide in Gaza en het Israëlisch-Palestijnse conflict verhoudt Spanje zich explicieter pro-Palestijns en kritischer tegenover Israël dan de meeste andere Europese landen. Dat komt voort uit een combinatie van geografische, historische en politieke factoren. Het zuidelijkste puntje van Spanje ligt op slechts 13 kilometer van Marokko, waardoor de Arabische wereld fysiek dichtbij is.
Dit zorgt voor meer begrip en verbondenheid met de Palestijnse zaak binnen de Spaanse samenleving. Spanje heeft altijd gezocht naar goede relaties met het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Dat geldt overigens niet alleen voor de PSOE, ook de PP hecht belang aan die vriendschapsbanden.
Maar ondanks beloften van de Spaanse regering om wapenaankopen uit Israël op te schorten, heeft Spanje tussen oktober 2023 en april 2024 46 contracten voor wapenleveringen met Israëlische bedrijven toegekend of geformaliseerd. Een rapport van het Delàs Centrum voor Vredesstudies in Barcelona stelt dat Spanje sinds het begin van het Israëlische offensief op Gaza voor 1,04 miljard euro aan wapencontracten met Israëlische bedrijven heeft afgesloten. Tien van die contracten zouden zijn afgesloten na oktober 2024, de maand waarin het Spaanse ministerie van Defensie aankondigde alle militaire aankopen uit Israël te staken.
Het was vooral coalitiepartij Sumar die, na een breuk met Podemos, Izquierda Unida en een paar kleinere linkse groepen, de premier onder druk zette om zich krachtiger op te stellen tegenover de Israëlische regering en in het NAVO-dossier. Deed Sánchez dat niet, dan dreigde Sumar het voortbestaan van zijn regering in gevaar te brengen.
Spanje heeft altijd gezocht naar goede relaties met het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Dat geldt niet alleen voor de socialisten, maar ook voor de rechts-conservatieven.
Naast de signalen van de coalitiepartners is er de straat, waar de pro-Palestijnse beweging zeer actief is. Ze is zichtbaar bij massale protesten en zelfs bij sportevenementen, zoals de slotronde van de Vuelta in september 2025. Actievoerders zetten toen de koers stop uit protest tegen de deelname van het Israëlische team Israel-Premier Tech. Een van de slogans die daarbij gescandeerd werd, was: “¡No pasarán!” (Ze komen er niet voorbij!), een duidelijke verwijzing naar het verbeten verzet van de Madrilenen tegen de fascisten tijdens de Spaanse Burgeroorlog.
Eén Spanje, meerdere naties
Sánchez moet ook rekening te houden met regionale eisen, zoals die van Catalonië. Hij moet een manier vinden om de ambities van de verschillende regio’s een plaats te geven.
De Tweede Spaanse Republiek (1931-1939) was een eerste poging om een sociaal-progressief beleid te voeren en tegelijk de regio’s een vorm van zelfbestuur te geven. Die republikeinse stroming leeft vandaag nog steeds en droomt van een Derde Republiek, waarin de regio’s meer zelfbestwuur krijgen.
Het valt op dat de oude republikeinse driekleur nog lang niet uit het straatbeeld verdwenen is en door heel wat progressieve Spanjaarden gekoesterd wordt. En 14 april, de geboortedag van de Tweede Spaanse Republiek, is dan wel geen officiële feestdag, maar er zijn elk jaar burgemeesters en burgers die fier de rood-geel-paarse vlag uithangen.
De impact van het linkse verleden verschilt vandaag sterk per regio. In Catalonië is de linkse traditie historisch sterk, mede door een krachtige arbeidersbeweging en anarchistische invloed. Dit vertaalt zich in progressief beleid en steun voor zelfbeschikking. Linkse ideologie wordt in Catalonië vaak gecombineerd met regionalisme, het streven naar autonomie voor de regio.
In Baskenland vermengt links gedachtegoed zich met nationalistische aspiraties. De afscheidingsbeweging ETA, die tientallen jaren met terreuraanslagen streefde naar onafhankelijkheid en zichzelf officieel ontbond in 2018, had ideologische raakvlakken met marxistische ideeën. Dat maakt de perceptie van ‘links radicalisme’ in de regio complex.
In centralere regio’s zoals Madrid en Castilië is er doorgaans meer steun voor conservatieve politiek. Hier weegt het anticommunistische sentiment uit de Francoperiode zwaarder door in het collectieve geheugen. Links daarentegen is er heel fier op hun hevig gewapend verzet tegen Franco tijdens de burgeroorlog.
Maar bij heel wat progressieve democraten leeft onrust voor de mogelijkheid dat de conservatieve PP zou gaan regeren in coalitie met de extreemrechtse partij Vox, met een antidemocratische agenda. Dit scenario zou het resultaat kunnen zijn van de uitslag van de Spaanse parlementsverkiezingen in 2027.
Die angst voor een doorbraak van Vox zou evengoed een verkiezingszege voor progressief Spaans kunnen betekenen. En tegelijk de grote retour van de PSOE, ten koste van Unidas Podemos en Sumar.
Tot die tijd zal premier Sánchez al zijn strategisch overlevingsinstinct en scherp politiek inzicht moeten inzetten om te regeren met een minderheidscoalitie met partijen die een progressievere ideologie koesteren.
Deze analyse werd geschreven voor MO*160, het zomernummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.
Word proMO*
Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in:format(png))