Over de eindeloze kringloop van leven en dood
“‘De wilde natuur versus de beschaafde mens ’


Evelyne Janssens vroeg zich af in hoeverre ze kan claimen in harmonie te leven met de natuur en tegelijk het recht kan hebben om andere levende wezens te doden. Maar ze kwam tot de conclusie dat de vraagstelling verkeerd is. Want in de natuur is er helemaal geen sprake van recht of rechtvaardigheid.
Na een zonnige dag van appel- en perenbomen snoeien, hout zagen en het eerste onkruid in de kiem smoren, is het tijd geworden om de coïtus interruptus waar we de laatste keer in verstrikt geraakt waren, tot een bevredigend einde te brengen. De vraag was dus in hoeverre ik kan claimen in harmonie te leven met de natuur en tegelijk het recht kan hebben om andere levende wezens te doden.
Na wekenlang tobben en wikken en wegen, ben ik tot de conclusie gekomen dat er eenvoudigweg iets mis is met de vraag: als het namelijk gaat om leven in harmonie met de natuur, dan zie je heel snel dat er in de natuur helemaal geen sprake is van recht of rechtvaardigheid. De natuur is een plaats van chaos en wetteloosheid, en als er dan toch één wet moet gelden, dan is het de onverbiddelijke (en weinig rechtvaardige) wet van de sterkste.
Mijn impulsieve uitspraak ‘everything has the right to live, but everything also has the duty to die’, zou je in die zin dus onzinnig kunnen noemen, aangezien er in de natuur geen rechten of plichten te vinden zijn. Zulke concepten zijn bij uitstek menselijke concepten.
Maar de mens maakt toch ook deel uit van de natuur? Wel… laat ik daar straks op terugkomen. Eerst zou ik voorgaande gedachte toch nog even verder willen uitspitten, al was het maar om Nietzsche te kunnen citeren: ‘Iets wat kort uitgedrukt is kan de vrucht zijn van veel en langdurig nadenken.’ En als ik er inderdaad lang over nadenk, is mijn uitspraak verre van onzinnig.
In de natuur zien we heel duidelijk een gelijk aandeel van leven en dood: ecosystemen functioneren maar als er evenveel wezens sterven als bijkomen. Ook als ik in mijn moestuin aan het werk ben, ben ik daar voortdurend mee bezig: niet alles wat gezaaid is, kan uitgeplant worden (en blijven leven), er is maar een beperkte hoeveelheid ruimte. Je kiest er dus de “beste” plantjes uit en gooit de rest op de composthoop of voert ze aan de kippen.
Ook het snoeien van bomen en planten zie ik zo: je knipt takken weg om ze beter te doen groeien en meer vruchten te laten dragen. Het lijkt contradictorisch, dat je een plant moet inperken om ze te laten uitbreiden, maar het is juist de begrenzing die zorgt voor een betere groei, aangezien je anders een ongebreidelde chaos krijgt van takken en bladeren waar geen zonlicht of lucht meer door kan en de boom zichzelf op die manier langzaam maar zeker verstikt. Less is more, zou je kunnen zeggen.

Herkennen we hier iets in, als mens? Ik zou zeggen dat er veel meer parallellen zijn tussen de natuur en ons eigen functioneren dan we zelf zouden willen toegeven. Een mens moet namelijk ook voortdurend keuzes maken en zichzelf begrenzen, je kunt pas uitblinken in iets als je je daar volledig op toelegt (en andere opties dus links laat liggen). Als je alles tegelijk probeert te doen, zul je net als een boom verstrikt geraken in de chaos en jezelf verstikken. Burn-outpandemie, iemand? Maar goed, dat is een andere discussie.
Als mens maken we ook deel uit van de natuur, ja. Maar tegelijk zijn we er door de eeuwen heen langzaam maar zeker van gaan vervreemden, zodanig dat er veeleer een tweedeling lijkt te bestaan dan een verbond: mens tegenover natuur, en niet meer mens in of met de natuur.
Een mens die zich heel erg bewust is van zijn ‘right to live’, maar zijn ‘duty to die’ volledig verwaarloosd heeft. Of eerder: niet meer ziet. En niet wíl zien. In het geval van de mens lijkt het eerder een ‘right to live and right to kill’-scenario, met de natuur als eerste slachtoffer.
Daar zit ons ver gevorderd (zelf)bewustzijn allicht voor iets tussen, waardoor we onszelf niet alleen méér achten dan de natuur en alle niet-menselijke wezens die daarbij horen (ach ja, want wij hebben cultúúr!), maar ook heel erg aan ons leven hechten.
De dood is iets dat in een mensenleven nog amper een plaats heeft, het is bijna een taboe. Gerokken tot het uiterste einde, tot de grenzen van het absurde, tot er echt niets anders meer baat – geen extra pilletje of infuus of operatie of andere medische ingreep – dan, ja dan mag de dood haar intrede doen. Liefst ook zo onmerkbaar mogelijk, met een zacht spuitje inslapen of wat extra morfine, zodat je er toch zeker niet te veel van merkt, van dat doodgaan.
Het gelijke aandeel van leven en de dood houdt de natuur in evenwicht.
En natuurlijk, wie zou een mens kwalijk kunnen nemen dat-ie aan z’n leven hecht? Dat zelfbewustzijn doet ons – soms zo pijnlijk hard – beseffen hoe mooi (en hoe kort) het leven kan zijn. Waarde hechten aan het leven en de dood zo lang mogelijk willen uitstellen, kunnen we geen misdaad noemen (of het soms nog menswaardig is, dat is een andere vraag).
Het problematische lijkt te liggen in de vervreemding van de dood, het feit dat we onszelf onsterfelijk achten, of alleszins amper nog in confrontatie durven brengen met onze eigen sterfelijkheid. Waarom zouden we anders massaal levens leiden alsof er ooit wel ‘iets beters’ zal komen? Alsof we nooit zullen doodgaan, en het niet uitmaakt dat je je leven gespendeerd hebt zonder eigenlijk te beseffen dat je op een dag ging ophouden te bestaan. Alsof we nog steeds geloofden dat we na onze dood naar de hemel zullen gaan…
Nu dreigt het allemaal heel existentieel te worden – straks komt er nog een Heidegger-citaat, god verhoede! – maar ik geloof dat ik het allemaal zo een beetje kan samenvatten: de natuur is een plek van chaos en wetteloosheid, waar het leven en de dood een even belangrijke plaats innemen. Hun gelijke aandeel houdt de natuur in evenwicht.
Geen enkel dier vraagt zich af of-ie wel ‘het recht heeft’ om een ander dier te doden, het gebeurt gewoon, meestal op een heel brute manier. De mens heeft zich door de eeuwen heen aan deze leven-en-doodstrijd door middel van technologie en vooruitgang weten te onttrekken, en heeft daarbij zijn eigen leven in veiligheid weten te brengen.
Zo ontstond een onevenwicht: de mens die zich steeds meer aan de dood onttrok, en zich steeds meer boven en buiten de natuur ging stellen. De mens die – in tegenstelling tot de natuur – ging zorgen dat het leven (en dan vooral z’n eigen leven) beschermd werd, en daarvoor heel veel wetten en regels ging verzinnen: de mens die zichzelf ging domesticeren. En de natuur ging onderwerpen aan zijn regels. De wilde natuur versus de beschaafde mens. Ja, heel erg beschaafd die mens… daar mag de geschiedenis, het dagelijkse nieuws en de huidige staat van onze planeet getuige van zijn.
Wat ik wil zeggen? Dat wie in harmonie wil leven met de natuur, zichzelf moet onderwerpen aan haar regels. En dat is dat er geen regels zijn, alleen de eindeloze kringloop van leven en dood gaande houden. En als je dus een ander levend wezen doodt – of het nu een boom is, een rat of een lammetje – dan hoef je je niet per sé af te vragen of je daartoe ‘het recht hebt’, maar kan het geen kwaad je ervan bewust te zijn dat je een bepaald onevenwicht teweeg hebt gebracht, omdat je iets hebt weggenomen.
Wil je met andere woorden in harmonie leven met de natuur, geef dan ook evenveel terug. Probeer dat fragiele evenwicht te eerbiedigen, wetende dat je als levend wezen, net als alle andere levende wezens, ook maar een onderdeel bent van de eindeloze kringloop van leven en dood. Al kan ik me inbeelden dat een dergelijk besef voor een gedresseerd aapje in de concrete jungle meer een hallucinatie lijkt dan een realiteit.
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.
