Trauma zit niet alleen in herinneringen, schrijft MO*columniste Sun Mee Cattrysse. Want herinneringen aan het land waar ze geboren is, heeft ze niet. Maar het trauma, dat is er wel. ‘Het lichaam bewaart wat nergens geregistreerd staat.’
Maart is voor mij geen gewone maand. Mijn lichaam weet het voordat mijn hoofd het begrijpt.
Er is een vermoeidheid die elk jaar terugkomt, een loomheid die zich nestelt in mijn spieren, een soort koorts zonder ziekte.
Als kind was ik vaak ziek rond mijn verjaardag. Jarenlang dacht ik dat het toeval was. Tot ik exact 10 jaar geleden voor het eerst naar Zuid-Korea reisde. Het land waar ik geboren, verlaten en gevonden werd. We zouden aankomen één dag voor mijn verjaardag, de dag dat ik ter wereld kwam.
We vertrokken niet vanuit Zaventem, maar vanuit Parijs. Brussels Airport werd die week herleid tot warzone.
In de vertrekhal van Charles de Gaulle stond een knalrode piano. Iemand speelde Imagine van John Lennon. Mensen bleven staan, luisterden, wachtten. Muziek als een verzachtende zoen.
Ik had een kaart bij me. Een landschapskaart van Korea, als een strohalm. Alsof ik iets zou herkennen. Alsof een plek mij zou herkennen.
Op die kaart stond Seoul aangeduid als mijn geboorteplaats. Maar mijn verhaal bleek ergens anders te beginnen, in een klein dorp waarover ik nog nooit gehoord had.
Hahyang, Hyanchon-dong, Sacheon, Samcheonpo-City, in het uiterste zuiden, dichtbij Pusan. Daar werd ik op een wondere woensdag gevonden, gewikkeld in een gestipt babydeken, met een bloedende navelstreng. Zonder naam, “without any information”, stond in het dossier.
In Korea tellen ze het leven vanaf de zwangerschap. Volgens die telling leefde ik 14 maanden in Korea toen ik het land verliet. Mijn lichaam was daar dus langer dan mijn herinnering.
Misschien verklaart dat waarom maart zo in mijn botten zit.
In het weeshuis waar ik mijn eerste maanden verbleef, kruisten we een vrouw met een pasgeboren baby in haar armen. Ik vroeg me af of dat kind ook naar een ver land zou vertrekken. Of dat kind later ook een kaart zou vasthouden, op zoek naar een begin.
We gingen naar het stadhuis waar ik geregistreerd werd. Naar het politiekantoor. Naar een wijkcentrum in een agrarische buurt. Naar een psychiatrisch centrum, hoog op een heuvel, weggestoken van de maatschappij.
Daar voelde ik geen herkenning zoals je in films of op televisie ziet. Geen omhelzing. Geen tranen. Geen emotie. Alleen een vreemd soort thuiskomen in vermoeidheid.
Ik ontmoette een jonge vrouw die mijn moeder had kunnen zijn. Onbereikbaar.
Ze tekende. Een paarse bloem met een zin in handgeschreven Koreaans: ‘Aan mijn lief klein babymeisje, ik hoop dat je genoeg kan eten’.
Dertien zou ze geweest zijn. Ze kreeg een meisje. Ik had dat meisje kunnen zijn.
De DNA-test was negatief. Dat was beter zo. Voor iedereen.
Sinds die reis begrijp ik beter waarom mijn verjaardag nooit alleen een verjaardag is. Waarom mijn lijf elk jaar in maart vertraagt, protesteert, ziek wordt, dreigt stil te vallen als ik mezelf niet wakker houd.
Trauma zit niet in alleen in herinneringen. Het zit in spieren, in ademhaling, in weerstand, in vermoeidheid die geen naam heeft.
Het zit in data. In seizoenen. In geuren. In maanden.
Dossiers kunnen afgesloten worden. Verhalen kunnen verteld worden. Maar het lichaam bewaart wat nergens geregistreerd staat.
Wat ooit vanzelfsprekend leek, blijkt dat niet altijd geweest te zijn. Soms duurt het tientallen jaren voor we durven erkennen wat een lichaam al die tijd wist.
Toen ik jonger was, was het gemis scherp. Een vraag. Een zoektocht. Een verlangen naar een gezicht, een naam, een beeld, een verhaal dat klopte.
Nu ik ouder word, voelt het anders. Niet minder. Dieper.
Het gemis is geen vraag meer. Iets dat met mij meegroeit. Iets dat zich elk jaar opnieuw in mijn lichaam nestelt, zonder dat ik het nog wil wegduwen.
Een reis naar Korea zal voor mij nooit zomaar een reis zijn. Het is geen bestemming, maar een landschap onder mijn huid.
Een plek waar mijn lichaam eerder was dan mijn vroegste herinnering. Een plek waar ik elk jaar opnieuw regelmatig naartoe lijk terug te keren, zonder vliegtuig, zonder kaart.
Daarom eet ik in maart zeewiersoep. In Korea eet je die op je verjaardag als eerbetoon aan de vrouw die je het leven gaf.
Ik weet niet wie zij is. Zij weet niet wie ik ben.
Misschien denkt ze nog elke dag aan haar kleine babymeisje. Misschien ook niet.
Maar mijn lichaam denkt wel. En elk jaar in maart herinnert het zich dat een leven niet begint op de dag dat het wordt opgeschreven, maar op de dag dat het wordt achtergelaten.

Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.

)
)