Arme regio’s in Europa kwetsbaarder voor dodelijke gevolgen van luchtvervuiling
Regio’s in Europa waar armoede het hoogst is, blijken ook het kwetsbaarst voor de gezondheidsgevolgen van luchtvervuiling. Dat blijkt uit een grootschalige studie in Nature Medicine.
Voor het onderzoek analyseerden wetenschappers cijfers over meer dan 88 miljoen overlijdens tussen 2003 en 2019 in 653 regio’s in 31 Europese landen - goed voor een bevolking van ruim 521 miljoen mensen.
Met behulp van machine learning brachten ze de dagelijkse concentraties van luchtvervuilende stoffen in kaart, zoals fijnstof (PM2.5), grover stof (PM10), stikstofdioxide (NO2) en ozon.
Maar luchtvervuiling alleen zegt niet alles. De wetenschappers koppelden de gegevens ook aan regionale sociaaleconomische indicatoren zoals inkomen, armoede en levensverwachting. Daarnaast namen ze nog de cijfers over het gebruik van hernieuwbare energie mee in hun analyse.
Armoede
De resultaten tonen dat luchtvervuiling niet overal dezelfde gevolgen heeft. In regio’s met een hoger inkomen, lagere armoedecijfers en een hogere levensverwachting – vooral in Noord- en West-Europa – ligt het risico op sterfte door vervuiling aanzienlijk lager.
In minder welvarende gebieden, voornamelijk in Zuid- en Oost-Europa, is dat risico duidelijk groter. In sommige gevallen is het sterfterisico er zelfs twee keer zo hoog, ook wanneer de vervuilingsniveaus vergelijkbaar zijn.
‘Het is niet alleen zo dat armere regio’s meer vervuild zijn’, legt ISGlobal-onderzoeker Zhaoyue Chen uit. ‘Rijkere regio’s beschikken doorgaans over beter uitgeruste gezondheidszorgstelsels, meer uitgebreide volksgezondheidsprogramma’s en een groter maatschappelijk bewustzijn over de gevolgen van luchtvervuiling, naast een groter vermogen om milieubeleid uit te voeren. Door de sterfterisico's als gevolg van luchtvervuiling in elke regio en periode te kwantificeren, kunnen we de meest kwetsbare bevolkingsgroepen nauwkeuriger identificeren.’
De kloof is de voorbije twee decennia bovendien groter geworden, concludeert het rapport nog. Terwijl rijkere regio’s sinds 2003 een duidelijke daling zagen in de gezondheidsrisico’s van fijnstof en stikstofdioxide, bleef de vooruitgang in armere regio’s beperkt. In sommige gebieden nam het risico zelfs toe.
Hernieuwbare energie maakt een verschil
De studie wijst ook op het belang van de energietransitie. De groei van hernieuwbare energie in Europa ging gepaard met een duidelijke daling van luchtvervuiling: ongeveer 15% minder fijnstof (PM2.5), 54% minder grover stof (PM10) en 20% minder stikstofdioxide. Die evolutie vertaalt zich rechtstreeks in gezondheidswinst, aldus de onderzoekers.
Zij zien dat de toename van hernieuwbare energie in de afgelopen eeuw gepaard is gegaan met een daling van de sterfte door luchtvervuiling met 12% voor fijnstof, 52% voor grover stof en 20% voor stikstofdioxide.
Maar die energietransitie verloopt dus ongelijk: Noord-Europese landen schakelen sneller over op hernieuwbare energie, terwijl verschillende Zuid- en Oost-Europese landen, zoals bijvoorbeeld Italië, Cyprus en Polen, nog sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen.
De analyse heeft zich vooral gericht op Europa, maar de resultaten zijn door te trekken op wereldwijd niveau, stellen de onderzoekers. Dat is ook zo omdat in veel lage- en middeninkomenslanden de snelle stedelijke groei en industriële expansie sneller gaan dan de investeringen in schone energie en milieubescherming. ‘Dit maakt de bevolking nog kwetsbaarder voor de gevolgen van vervuiling.’
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.



