‘Kan een democratische samenleving ook verdragen dat verzet soms stoort, hindert en ongemakkelijk maakt?’

Paul Siperius

26 mei 2026
Opinie

Van tooncontrole naar verzetscontrole

‘Kan een democratische samenleving ook verdragen dat verzet soms stoort, hindert en ongemakkelijk maakt?’

Code Rood protest
Code Rood protest

Wie zich uitspreekt tegen onrecht, krijgt zelden alleen een inhoudelijk antwoord, constateert sociaal-cultureel agoog Paul Siperius. Wat begint als tooncontrole - de vraag dat mensen hun kwaadheid eerst fatsoeneren voor ze gehoord worden - kan gemakkelijk verzetscontrole worden: de eis dat protest alleen ernstig genomen wordt wanneer het binnen de grenzen van beleefdheid, beheersing en respectabiliteit blijft.

In zijn blog ‘Mag het ook eens wat minder rationeel a.u.b.?’, verschenen op 14 mei 2026 binnen ‘Justainable’, de Broederlijk Delen-reeks over activisme en systeemverandering naar aanleiding van het Wereldkamp, stelt cultuurfilosoof Simon Truwant een belangrijke vraag: Wat gebeurt er wanneer het publieke debat zo rationeel, beheerst en feitelijk wil zijn dat sommige stemmen er bijna vanzelf uit verdwijnen?

Dat is een waardevolle ingang. Want wie zich uitspreekt tegen onrecht, krijgt zelden alleen een inhoudelijk antwoord. Vaak komt eerst de beoordeling van de vorm. Te emotioneel. Te moreel. Te selectief. Te weinig genuanceerd. Te kwaad. Alsof de manier waarop iemand spreekt belangrijker wordt dan wat die persoon probeert zichtbaar te maken.

Truwant noemt dat terecht een vorm van uitsluiting. Niet elke ervaring laat zich meteen vertalen in een neutrale volzin. Niet elk onrecht komt eerst voorbij als afgerond beleidsvoorstel. Soms begint politiek spreken met woede, verdriet, schaamte, herinnering of een persoonlijke anekdote. Dat maakt zo’n stem niet automatisch minder waarachtig. Integendeel: soms wordt pas door die vorm duidelijk wat er op het spel staat.

Maar dezelfde logica stopt niet bij spreken. Ze schuift door naar verzet zelf.

Wat begint als tooncontrole - de vraag dat mensen hun kwaadheid eerst fatsoeneren voor ze gehoord worden - kan gemakkelijk verzetscontrole worden: de eis dat protest alleen ernstig genomen wordt wanneer het binnen de grenzen van beleefdheid, beheersing en respectabiliteit blijft.

Dan gaat het niet langer alleen over wie mag spreken. Het gaat ook over hoe verzet eruit moet zien om nog aanvaardbaar te zijn.

Wanneer verzet eerst gerust moet stellen

In veel publieke discussies wordt verzet pas geloofwaardig wanneer het eerst bewijst dat het geen bedreiging vormt. Het moet rationeel zijn, maar niet te moreel. Zichtbaar, maar niet storend. Vastberaden, maar niet te confronterend. Begrijpelijk, maar niet dwingend. Het moet liefst iets aanklagen zonder de gewone gang van zaken te veel te onderbreken.

Dat is een vreemde eis. Want verzet ontstaat meestal net daar waar gewone kanalen onvoldoende werken. Waar mensen niet gehoord worden. Waar procedures bestaan, maar niets veranderen. Waar het probleem al lang benoemd is, maar toch blijft voortduren.

Natuurlijk betekent dat niet dat elke vorm van verzet automatisch verstandig, rechtvaardig of verdedigbaar is. Kritiek op middelen blijft nodig. Bewegingen moeten nadenken over gevolgen, risico’s, bondgenootschappen en grenzen. Maar er is een verschil tussen kritische reflectie en de reflex om verzet meteen te beoordelen volgens de comfortzone van wie toekijkt.

Dat mechanisme is ook vandaag zichtbaar. Bij de recente bezetting en ontruiming van het rectoraat aan de UGent verschoof het publieke debat in snel tempo van de inhoud van het protest naar de vorm ervan. De oorspronkelijke eis – een volledige academische boycot van Israël – raakte op de achtergrond, terwijl begrippen als “vandalisme”, “grensoverschrijding” en “onaanvaardbare hinder” centraal kwamen te staan. De vraag werd niet langer in de eerste plaats wat er aangeklaagd werd, maar hoe ver actievoerders mochten gaan.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen uitzondering maar een terugkerend patroon: zodra verzet effectief ingrijpt in de normale gang van zaken, verschuift het debat naar de vraag of die ingreep zelf nog legitiem is.

Die reflex kennen we goed. Een betoging mag, zolang ze het verkeer niet hindert. Een actie mag, zolang ze niemand ongemakkelijk maakt. Een morele aanklacht mag, zolang ze niet te scherp klinkt. Een beweging mag woedend zijn, zolang ze haar woede netjes verpakt.

Die verschuiving zien we breder. Klimaatacties van Code Rood worden zelden eerst besproken vanuit de hoogdringendheid die ze aankaarten, maar vanuit hun ontregelend karakter.

Vakbondsbetogingen worden aangekondigd met nadruk op de hinder die ze veroorzaken, nog voor hun eisen aan bod komen. Ook bij boerenprotesten verschuift de aandacht vaak van de onderliggende economische druk naar de hinder van blokkades en acties. In elk van die gevallen verschuift het debat van het conflict zelf naar de verstoring ervan.

Zo wordt aanvaardbaarheid soms belangrijker dan waarheid. En dan dreigt de vorm van verzet het eigenlijke onderwerp te verdringen.

De redelijke stem en de onredelijke hinder

Truwants tekst helpt om dat mechanisme te begrijpen. Wie de norm bepaalt van wat redelijk klinkt, bepaalt ook wie als onredelijk verschijnt. Maar dat geldt evenzeer voor protest. Wie de norm bepaalt van wat aanvaardbaar verzet is, bepaalt ook welke acties als overdreven, onverantwoord of gevaarlijk worden weggezet.

Ook aan de UGent werd die grens opnieuw getrokken: protest werd erkend zolang het binnen bepaalde vormen bleef, maar verloor legitimiteit zodra het de normale werking van de instelling effectief begon te verstoren.

Daarmee is niet gezegd dat elk oordeel over protest fout is. Een samenleving mag discussiëren over middelen. Bewegingen moeten dat zeker zelf blijven doen. Maar de vraag is: vanuit welke logica gebeurt die beoordeling?

Komt de kritiek voort uit zorg voor de beweging, voor mensen, voor kwetsbaarheid, voor gevolgen? Of komt ze voort uit de behoefte om de bestaande orde gerust te stellen?

Daar ligt een belangrijk verschil.

Want soms wordt “nuance” gebruikt om een kwestie complexer te maken. Maar soms wordt ze ook gebruikt om urgentie te verdunnen. Soms betekent “beheersing” dat mensen elkaar niet ontmenselijken. Maar soms betekent het dat wie getroffen wordt door onrecht zijn kwaadheid moet inslikken voor hij of zij mag meetellen. Soms is de vraag naar feiten noodzakelijk. Maar soms wordt ze een drempel die alleen mensen met tijd, opleiding, status en toegang tot erkende taal kunnen nemen.

Dan is het debat niet neutraal. Dan is het al ingericht in het voordeel van wie zonder haast kan spreken. Dat mechanisme stopt bovendien niet bij de vorm van spreken of handelen alleen.

Hoe geloofwaardigheid onder druk komt te staan

In veel discussies over ongelijkheid en onrecht duikt een gelijkaardig patroon op. Niet alleen de toon van kritiek wordt beoordeeld, maar ook de geloofwaardigheid van wie spreekt. Wie ongelijkheid aanklaagt, wordt al snel verweten hypocriet te zijn. Wie protesteert, wordt naïef genoemd. Wie morele taal gebruikt, zou zichzelf belangrijker maken dan de feiten toelaten. En wie kwaad is, zou daarmee zijn redelijkheid verliezen.

Dat soort reacties vertrekt zelden alleen uit inhoudelijke tegenspraak. Ze verschuiven het gesprek naar de persoon en diens tekortkomingen. Alsof onvolmaaktheid de geldigheid van een aanklacht ondergraaft. Maar hypocrisie ontkracht gelijkheid niet. En het feit dat mensen niet consequent of zuiver leven, maakt het onrecht dat ze benoemen niet minder werkelijk. Bewegingen kunnen fouten maken zonder dat daarmee de structuren waartegen ze zich richten verdwijnen.

Ook hier gaat het dus om dezelfde vraag als bij toon en verzet: wie krijgt geloofwaardigheid, wie verliest die, en op basis van welke impliciete normen?

Niet kritiekloos, wel solidair

Een democratische cultuur heeft meer nodig dan formele spreekruimte. Ze heeft ook ruimte nodig voor stemmen die niet meteen perfect vertaald zijn naar de taal van beleid, studio en opiniestuk. En ze heeft ruimte nodig voor verzet dat niet eerst volledig onschadelijk gemaakt wordt voor het serieus genomen mag worden.

Dat betekent niet dat alles moet kunnen. Solidariteit is geen kritiekloosheid. Een beweging die zichzelf ernstig neemt, moet over middelen kunnen spreken. Over strategie. Over schade. Over escalatie. Over verantwoordelijkheid. Over de vraag wie risico draagt en wie er de prijs voor betaalt.

Maar die discussie moet niet beginnen vanuit de vraag hoe verzet er moet uitzien om door de bestaande orde goedgekeurd te worden. Ze moet beginnen vanuit de vraag wat het onrecht vraagt, wat mensen dragen kunnen, en hoe verschillende vormen van verzet elkaar niet nodeloos verzwakken.

Niet elk verzet hoeft dezelfde vorm aan te nemen. Er is plaats voor de stem, het verhaal, de analyse, de betoging, de blokkade, de weigering, de symbolische actie, de verstoring. Die vormen hoeven niet allemaal samen te vallen. Ze hoeven elkaar ook niet kritiekloos te bevestigen. Maar ze moeten niet automatisch elkaars vijanden worden zodra de buitenwereld vraagt wie “redelijk” is en wie “te ver” gaat.

De grens wordt nooit neutraal getrokken

De kernvraag is dus niet of rationaliteit, feiten of beheersing waarde hebben. Natuurlijk hebben ze dat. De vraag is wie ze mag definiëren, wanneer ze als toegangsticket worden gebruikt, en wat er verdwijnt wanneer alleen beheerste vormen van spreken en handelen nog als legitiem gelden.

Een debat dat alleen kalme stemmen ernstig neemt, hoort vooral wie zich kalmte kan veroorloven. Een samenleving die alleen aanvaardbaar protest erkent, erkent vooral protest dat haar niet te veel onderbreekt.

Daarom moeten we niet alleen waakzaam zijn voor tooncontrole, maar ook voor verzetscontrole. Niet omdat elke toon goed is. Niet omdat elk middel juist is. Maar omdat onrecht zelden verdwijnt wanneer de mensen die het aanklagen eerst beleefder, rationeler en comfortabeler moeten worden voor wie liever niet gestoord wordt.

Simon Truwant heeft gelijk dat een werkelijk democratisch publiek debat niet louter rationeel kan zijn. Het moet ook inclusief zijn. Daar hoort nog een bijkomende vraag bij: kan een democratische samenleving ook verdragen dat verzet soms stoort, hindert en ongemakkelijk maakt?

Niet om de confrontatie te verheerlijken. Wel om te vermijden dat alleen het verzet overblijft dat niemand nog hoeft te vrezen.

Sta me ten slotte toe alle deelnemers, begeleiders en organisatoren alvast een fantastisch Wereldkamp toe te wensen.

Paul Siperius is sociaal-cultureel agoog, betrokken bij activisme. Hij was tussen 1992 en 2007 vijftien keer begeleider en vormingswerker op het Wereldkamp.

Noot: deze tekst sluit aan bij het pamflet ‘Bondgenoten in verzet – over de nood aan een nieuwe solidariteit tussen stem en steen’ (2026 – 12p). Daarin werkt Paul Siperius uitgebreider uit hoe verschillende vormen van verzet elkaar kunnen blijven erkennen, zonder dat solidariteit kritiekloosheid wordt. Het pamflet is op eenvoudige vraag digitaal verkrijgbaar bij de auteur, bijvoorbeeld via messenger.

De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.