Pascal Debruyne
Van Schuman tot de Taliban
“‘‘Wat betekent feitelijke solidariteit nog in Europa?’’
)
© Jobs For Felons Hub (CC BY 2.0)
)
© Jobs For Felons Hub (CC BY 2.0)
Terwijl de Europese Unie zichzelf viert als vredes‑ en mensenrechtenruimte, bouwt diezelfde Unie aan een dicht netwerk van detentiecentra voor vluchtelingen, schrijft onderzoeker Pascal Debruyne. ‘Wat betekent “feitelijke solidariteit” nog wanneer zij ophoudt aan de buitengrens en zich omkeert in de facto samenwerking met regimes waarvoor mensen precies op de vlucht zijn?’
in 1950 riep Robert Schuman op tot een Europa dat ‘niet in één keer of volgens één enkel plan’ zou ontstaan, maar via ‘concrete verwezenlijkingen die in de eerste plaats een feitelijke solidariteit scheppen’.
Ruim zestig jaar later bekroont het Noorse Nobelcomité dat project met de Nobelprijs voor de Vrede, in naam van een Unie die zegt te staan voor vrede, verzoening, democratie en mensenrechten op een continent dat eeuwenlang door oorlog werd verscheurd.
Terwijl Europa zichzelf viert als vredes‑ en mensenrechtenruimte, bouwt diezelfde Unie aan een dicht netwerk van detentiecentra, grensprocedures en deals met autoritaire machthebbers (zie wat er gebeurt in Tunesië of Libië met mensen op de vlucht), tot en met technische gesprekken met de Taliban over terugkeerakkoorden en visa voor Afghaanse onderdanen na identificatiemissies.
Wat bij Schuman nog klinkt als een technopolitieke belofte tussen staten en sectoren, laat zich vandaag lezen als de vraag welke lichamen die feitelijke solidariteit daadwerkelijk dragen – en welke buiten beeld worden geduwd?
Gepakt door het Pact
Die spanning – tussen “feitelijke solidariteit” en feitelijke uitsluiting – wordt nergens zo tastbaar als in het huidige Europese migratiebeleid. Sinds de zogenoemde vluchtelingencrisis van 2015, en nu verankerd in het nieuwe Pact inzake Migratie en Asiel, ontwikkelt de EU een model dat migratie tegelijk wil “normaliseren” en “controleren”, via verplichte grensprocedures, versnelde afwijzingen en verregaande externalisering van verantwoordelijkheid.
Waar Schuman solidariteit tussen Europese staten voor ogen had als garantie voor vrede, wordt solidariteit vandaag vertaald in afspraken over wie welke lichamen mag vasthouden, terugsturen of laten verdrinken.
Aan de buitengrenzen krijgt dat een bijzonder lichamelijke uitdrukking. In het kader van het Pact worden asielzoekers die “irregulier” de EU binnenkomen of na een reddingsoperatie worden ontscheept, onderworpen aan verplichte screening en grensprocedures waarin zij de facto in gesloten of semi‑gesloten faciliteiten worden vastgehouden.
Terwijl de EU zichzelf profileert als kampioen van de rechtsstaat, ontstaat aan de rand van dat recht een grijze zone waar “tijdelijke” vrijheidsberoving structureel wordt.
Analyses van onder meer het Migration Policy Group tonen aan dat deze versnelde procedures mensen voor weken tot maanden in een juridische en fysieke limbo houden, met beperkte toegang tot rechtsbijstand, gebrekkige identificatie van kwetsbaarheid en een hoog risico op foutieve afwijzingen.
Het principe van “non entry fiction” moet de rechtsbescherming zoveel mogelijk afhouden, want je bent formeel niet in de Europese unie. De taal van “screening” en “efficiënt beheer” maskeert in de praktijk een regime van systematische opsluiting en gecontroleerde zichtbaarheid: lichamen die alleen als dossiers tellen, niet als personen met rechten.
Na een negatieve beslissing in zo’n grensprocedure kan iemand in de terugkeerfase nog tot 18 maanden worden vastgehouden, zodat een persoon in totaal ruim anderhalf jaar in gesloten centra kan verdwijnen zonder ooit “voluit” tot het grondgebied te hebben behoord. PICUM en andere organisaties waarschuwen dat de combinatie van verplichte grensprocedures, verlengbare detentieduren en het gebrek aan sterk, onafhankelijk toezicht de deur openzet voor pushbacks, mishandeling en andere vormen van willekeurige detentie.
Terwijl de EU zichzelf profileert als kampioen van de rechtsstaat, ontstaat aan de rand van dat recht een grijze zone waar “tijdelijke” vrijheidsberoving structureel wordt. De hervormde terugkeerrichtlijn – doorgedrukt met een alliantie van christendemocraten, conservatieven en extreemrechts – vormt het sluitstuk van dit Pact, met versnelde terugkeer, deportatiehubs buiten de EU en verruimde detentie als kerninstrumenten; het geklap en het “send them back”‑geroep in het Europees Parlement bij de stemming spreken boekdelen over welk politiek spook er vandaag echt door Europa waart.
“Technische” gesprekken met de Taliban
De vraag is dan: waarheen met deze lichamen? In het geval van Afghanistan is het antwoord bijzonder confronterend. Terwijl UNHCR in augustus 2021 een formeel non‑return advisory uitvaardigde en duidelijk stelt dat gedwongen terugkeer naar Afghanistan in strijd is met het non‑refoulementbeginsel – zie bijvoorbeeld UNHCR Position on Returns to Afghanistan – zoeken Europese staten en instellingen actief naar manieren om afgewezen Afghanen alsnog te verwijderen.
Amnesty International documenteert in het rapport Forced Back to Danger: Asylum-seekers returned from Europe to Afghanistan hoe teruggekeerde Afghanen na deportatie uit Europa worden blootgesteld aan een reëel risico op dodelijk geweld, bomaanslagen, marteling, kidnapping en andere ernstige mensenrechtenschendingen. In een bijhorende persverklaring stelt Amnesty dat bijna 9500 Afghaanse asielzoekers in 2016 werden teruggestuurd – vaak na detentie – en dat zij ‘at risk of torture, kidnapping and death’ zijn bij terugkeer.
Ook VN‑mensenrechtenmechanismen blijven alarm slaan. In 2025 spraken VN‑experts zich uit over massale gedwongen terugkeer van Afghaanse staatsburgers uit buurlanden en andere staten, en benadrukten dat Afghanistan “geen veilig land is voor terugkeerders” en dat dergelijke praktijken de kern van het non‑refoulementbeginsel aantasten.
Gedwongen terugkeerders lopen een verhoogd risico op arrestatie, detentie, mishandeling en foltering.
Het VN‑mensenrechtenbureau en UNAMA beschreven in het rapport “No Safe Haven” hoe Afghaanse terugkeerders geconfronteerd worden met willekeurige arrestatie, detentie, marteling en mishandeling door de feitelijke autoriteiten. Deze rapporten zijn publiek beschikbaar, gelardeerd met getuigenissen en casestudy’s, en laten weinig ruimte voor twijfel over de risico’s die met elke gedwongen terugkeer gepaard gaan.
Opvallend is hoe consistent deze bevindingen zijn. In rapport na rapport – van Amnesty over UNHCR tot UNAMA en het VN‑mensenrechtenbureau – keert dezelfde kernconstatering terug: wie naar Afghanistan wordt teruggestuurd, komt niet terecht in een abstracte “onveilige situatie”, maar in een voorspelbaar patroon van geweld en repressie.
Amnesty beschrijft in Forced Back to Danger getuigenissen van mensen die na terugkeer werden bedreigd door de Taliban, ontvoerd door gewapende groepen of geconfronteerd met bomaanslagen op markten en in woonwijken; sommigen verdwijnen na aankomst, anderen worden kort na deportatie gedood.
UN‑rapporten zoals “No Safe Haven” en recente persbriefings van OHCHR bevestigen dat gedwongen terugkeerders een verhoogd risico lopen op arrestatie, detentie, mishandeling en foltering, met name wanneer zij geassocieerd worden met het voormalige regeringsapparaat, internationale organisaties of “westerse” waarden.
De banaliteit van het Kwade
Tegen deze achtergrond krijgt de diplomatieke taal van de EU over Afghanistan iets ontstellend banaals. In 2025 en 2026 berichtten media en beleidsbronnen over pogingen van EU‑lidstaten en de Europese Commissie om met de Taliban afspraken te maken over gedwongen terugname van Afghaanse onderdanen.
De argumentatie is telkens dezelfde: zonder terugkeerakkoorden zouden “illegale migranten”, inclusief veroordeelde personen, niet kunnen worden uitgezet en zou de “geloofwaardigheid” van het asielsysteem onder druk komen te staan. Europese commissarissen benadrukken de noodzaak om met de Taliban te blijven praten “op technisch niveau” over migratie en terugkeer, ook al blijft formele erkenning politiek off‑limits.
Die framing vertaalt zich in zeer concrete, lichamelijke ervaringen. In Brussel wordt een Taliban‑delegatie ontvangen in een vergaderzaal zonder vlaggen, “omdat het geen erkenning betreft maar louter technische besprekingen zijn” – wat Hannah Arendt terecht zou duiden als de kille banaliteit van het Kwade, gestut door bureaucratische taal en technische praktijken. Op tafel liggen notities over re‑admissie, chartervluchten en biometrische identificatie.
Tegelijkertijd staat op een Europees vliegveld een groep geboeide mannen, en soms gezinnen, te wachten bij de gate op een nachtvlucht “naar Kabul”, vaak na jaren in procedure, met enkel een plastic zak met persoonlijke spullen en een deportatiecode. De lichamen die Schuman in gedachten had als dragers van wederzijdse economische en politieke afhankelijkheid, worden hier gereduceerd tot te verwijderen objecten in een statistiek van “effectieve terugkeer”.
Welke waarden heersen vandaag?
In dat licht krijgt de combinatie van Nobelprijs, Migratiepact en Taliban‑deal een uitgesproken cynische ondertoon. De Unie die in 2012 wordt bekroond omdat zij oorlog in Europa zou hebben vervangen door vrede en verzoening, participeert anno 2026 in een beleid dat mensen terugstuurt naar plaatsen van systemische repressie, mensenrechtenschendingen en de systematische onderdrukking van vrouwen.
Zij doet dat ondanks expliciete waarschuwingen van VN‑instanties en mensenrechtenorganisaties, en met een beleidsdiscours dat “firm but fair rules” en “Europese waarden” centraal stelt, terwijl de praktijk gestoeld is op detentie, versnelde procedures en externalisering van geweld.
De historische verwijzing naar Schuman en de Nobelprijs maakt die spanning structureel zichtbaar. Wat betekent “feitelijke solidariteit” nog wanneer zij ophoudt aan de buitengrens en zich omkeert in de facto samenwerking met regimes waarvoor mensen precies op de vlucht zijn? In die vraag ligt de kern van de hypocrisie die het huidige Europese migratiebeleid kenmerkt, maar ook het vertrekpunt voor elke serieuze reflectie over wat “Europese waarden” vandaag nog kunnen of mogen betekenen.
Pascal Debruyne is onderzoeker en docent Asiel & Migratie aan de Odisee Hogeschool.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Lees ook

Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.
Word proMO*
Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in

