Alaa Jbour
“‘‘Wat Vlaanderen wegbezuinigt, bouwt het niet terug’’

© PxHere (CC0)

© PxHere (CC0)
Vlaanderen bespaart 47 miljoen euro op cultuur, een peulschil als je de totale besparingen bekijkt. Toch mag de impact ervan niet worden onderschat, waarschuwt communicatiespecialist Alaa Jbour. Door socio-culturele organisaties hun werkingsmiddelen te ontzeggen, wordt de werking ervan, die vaak over jaren is opgebouwd, zo goed als onmogelijk gemaakt. ‘Dat kan toch niet de bedoeling zijn?’
Er is een begrip dat in het Vlaamse beleidsjargon zelden wordt uitgesproken maar altijd op de achtergrond meespeelt: maatschappelijk weefsel. Het is de verzamelnaam voor alles wat een samenleving samenhoudt, de kracht geeft buiten de markt en buiten de overheid de verenigingen, de vrijwilligers, de culturele ankerpunten, de organisaties die mensen bereiken die anders niemand bereikt. Dat weefsel wordt nu, met een besparingsronde van 47 miljoen euro op het cultuurbudget, stap voor stap dunner gemaakt.
De cultuursector, amateurkunsten, cultureel erfgoed, kunsten, sociaal-cultureel werk vertegenwoordigen amper 0,72 procent van de Vlaamse begroting. Dat is het uitgangspunt. Niet als excuus, maar als context. Want wie bespaart op 0,72 procent van een begroting en dat presenteert als een noodzakelijke bijdrage aan de budgettaire gezondheid van een gemeenschap, moet ook bereid zijn te zeggen wat die 0,72 procent maatschappelijk doet en wat er verdwijnt als ze er niet meer is.
Meer dan cultuur alleen
De besparingen worden doorgaans gerapporteerd als een cultuurverhaal. Musea die minder krijgen, archieven die sluiten, erfgoedbibliotheken die hun volledige subsidiëring verliezen. Dat is correct, maar het is onvolledig. Wat minder aandacht krijgt, is de laag eronder: de sociaal-culturele organisaties die niet werken met collecties of tentoonstellingen, maar met mensen.
Het sociaal-cultureel volwassenenwerk verliest 7,3 procent van zijn subsidies, goed voor 6,1 miljoen euro. Via dit volwassenenwerk worden veel organisaties gesteund. Organisaties die wekelijks tienduizenden Vlamingen bereiken – in buurthuizen, in gemeenschapscentra, in lokale afdelingen die functioneren dankzij vrijwilligers die op hun beurt worden ondersteund door professionele medewerkers die straks misschien weg zijn.
Van de 122 sociaal-culturele organisaties die subsidies ontvangen, krijgen 31 organisaties minder, verliezen 12 organisaties hun erkenning en vallen vier organisaties terug op het decretaal basisbedrag van 150.000 euro. Achter elk van die getallen zit een werking die is opgebouwd over jaren, soms over decennia – een netwerk van mensen, van vertrouwensrelaties, van lokale aanwezigheid die niet van de ene dag op de andere kan worden herbouwd als ze eenmaal is afgebroken.
De logica van de onzichtbare bijdrage
Wat sociaal-culturele organisaties moeilijk maakt om politiek te verdedigen, is precies wat ze waardevol maakt: hun werk is zelden spectaculair. Ze werken niet met grote namen, niet met bezoekerscijfers die in persberichten kunnen worden vermeld, niet met producten die zich laten fotograferen. Ze werken met mensen die eenzaam zijn. Met ouderen die nog ergens bij willen horen. Met jongvolwassenen die via een vereniging leren wat het betekent om samen iets te organiseren. Met nieuwkomers die via een sociaal-culturele organisatie een eerste voet aan de grond krijgen in een gemeenschap die ze nog niet kennen.
Dat werk heeft geen eenvoudig rendement. Het heeft wel een maatschappelijke waarde die op lange termijn veel groter is dan de subsidiebedragen die eraan gekoppeld zijn. Preventieve sociale cohesie kost minder dan curatieve sociale interventie. Maar preventie is politiek ondankbaar omdat haar resultaat onzichtbaar is – het zijn de crisissen die niet zijn ontstaan, de mensen die niet zijn afgehaakt, de buurten die niet zijn gefragmenteerd.
‘De Vlaamse regering wijkt zonder nader genoemde motivatie af van het advies van de beoordelingscommissie. Dat is geen transparant beleid. Het is discretionaire macht verpakt als beheer.’
Een aanpassing van het decreet op het sociaal-cultureel volwassenenwerk stond al in het regeerakkoord. In plaats van zich daarvoor te richten op het einde van de legislatuur, wil de Vlaamse regering dit versneld doorvoeren. Dat is een politieke keuze, geen technische noodzaak. En het is een keuze die past in een patroon dat al jaren loopt: elke legislatuur nieuwe besparingen, elke keer het argument dat de kern gespaard blijft, elke keer een sector die iets kleiner, iets kwetsbaarder, iets minder in staat is om de volgende klap op te vangen.
Bij een tiental organisaties wijkt de Vlaamse regering af van het advies van de beoordelingscommissie, zonder nader genoemde motivatie. De regering spreekt zelf van “technische correcties”, maar het is onduidelijk op welke procedurele of administratieve basis men hier afwijkt van de adviezen. Dat is geen triviale vaststelling. Het betekent dat de organisaties die het best werden beoordeeld op hun werking, toch minder krijgen dan de commissie adviseerde – op grond van redenen die niet worden toegelicht. Dat is geen transparant beleid. Het is discretionaire macht verpakt als beheer.
De politieke paradox
Er is ook een bredere politieke spanning die dit debat kleur geeft. Vlaams Belang diende een spoedvoorstel in om de besparingen te verschuiven: minder op erfgoed, meer op het sociaal-cultureel volwassenenwerk, dat de partij omschrijft als ‘extreemlinkse activisten’ die ‘miljoenen ontvangen".Het voorstel illustreert iets wat zelden openlijk wordt gezegd: de discussie over cultuursubsidies is ook een discussie over welke stem in de samenleving gesubsidieerd mag worden. Kritische organisaties, organisaties die werken met kwetsbare groepen, organisaties die een tegengeluid laten horen – zij zijn politiek kwetsbaarder dan instellingen die niemand voor het hoofd stoten.
Dat zou geen rol mogen spelen in subsidiesbeslissingen. De vraag of een organisatie effectief bereik heeft en een maatschappelijke functie vervult, zou het criterium moeten zijn. Niet de vraag of haar werk politiek comfortabel is.
Wat op het spel staat
De Federatie en de Overleg Cultureel Erfgoedorganisaties waarschuwen dat een verdere besparing van 10 procent doorwerkt in werkgelegenheid, activiteiten en de ondersteuning van vrijwilligers en verenigingen. Dat zijn concrete gevolgen voor concrete mensen – niet voor abstracte instellingen.
Vlaanderen kan zich een cultuurbudget van 0,72 procent van zijn begroting veroorloven. Het kan zich ook een cultuurbudget veroorloven dat structureel wordt uitgehold tot de organisaties die het dragen niet meer kunnen functioneren. Dat laatste is geen besparing. Het is een keuze over wat voor samenleving men wil zijn – en of men bereid is de prijs van die keuze te betalen wanneer de sociale kosten zich over tien jaar manifesteren in andere begrotingsposten.
Wat Vlaanderen vandaag wegbezuinigt in het sociaal-culturele weefsel, bouwt het niet terug. Niet voor hetzelfde bedrag. Niet in dezelfde tijd. En niet met dezelfde mensen.
Alaa Jbour is communicatie- en mediaspecialist met een focus op Europees en Midden-Oosters beleid en geïnteresseerd in de manier waarop politiek, identiteit en migratie elkaar kruisen in onze wereld.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.

Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.
